GRUIS

Slijt je tijd niet met het zoeken naar een hindernis. Misschien is er wel geen.
(Franz Kafka)

GRUIS is een tweede thuis voor verdwaalde fijngemalen verzen, voor residu dat er toe doet. Er zijn geen regels, alleen maar verzen (met inbegrip van poëtisch proza) die verkennen, andere verzen zoeken en ontmoeten. Dialoog op gang brengen, doen voortbewegen. GRUIS is ongefilterd, draagt geen titel dan zichzelf en doseert zichzelf.

Boor via het formulier onderaan deze pagina uw gat in de muur, wij vangen uw gruis op en vegen het samen! U blijft eigenaar van uw verbrijzeld edelgesteente.

1.

de gids wijst hoger dan de bestemming
naar een ver punt buiten zijn blikveld,
de boogschutter mikt hoger dan de schietschijf
om in de verte het doelwit te treffen

(Wim Vandeleene)

 

2.

hoe voer je het licht verder weg uit zijn bron
laat je de zee van zwart onbemand, omsingel je doelwit
trek je een grens over water – een golf kent geen rand
het water houdt niets vast

(Edward Hoornaert)

 

3

zelfs onze handen lagen als verknipte vleugels in onze schoot
wisten wij veel dat wij vrij waren
dat het ruim op ons wachtte om zijn omtrek te leren kennen

(Tania Verhelst)

 

4

de albatros benijd ik om hoe hij zonder brandstof
onder de radar blijft, met een verborgen kompas
onder zijn veren de oceaan oversteekt.

toch koester ik mijn armen om hun draagkracht,
om wie ze kunnen wiegen, verloren vleugels
waarmee ik meer spanwijdte dan hoogte win.

(Wim Vandeleene)

 

5

De held in mij ontwricht: geen vleugel die zich niet schaaft
aan de lucht, geen huid die nog herademt, zich wapent tegen
de schaduw van de kogel.

Een stem die spreekt als een steen die valt, niet langer stof doet opwaaien.

(Edward Hoornaert)

 

6

we houden onze adem in tot we aan het eind van de tunnel
een verblindend licht zien dat vanuit het water lijkt te komen

waar trekken we de grens, we schudden onze armen uit als
waren het vleugels, we graven onszelf langzaam naar boven

we komen terecht in een zinkwitte kamer, de matglazen deur
staat op een kier, waren er maar meer zichtbare hindernissen

(Geert Viaene)

 

7

Wat zichtbaar is niet langer ongezien
en later prooi ook voor de wormen die in duistere vormen
afstand nemen van elk oppervlak dat zich weerspiegeld waant in eeuwig licht

De verte is een stilte die valt en argeloos naar binnen kijkt
onze ogen verzegelt

(Edward Hoornaert)

 

8

ik moffel me weg.
vanaf nu kaats ik geen licht
meer terug, als rein glas. zie je me nog?

als het moet trekt ik een schutkleur aan,
hurk ik in schaduw, diep onder de radar.
je blinde vlek is op mijn maat geknipt.

(Wim Vandeleene)

 

9

Um Schatten und Körper
verwechseln zu können,
drehe ich eine Runde.

(Farhad Showghi)

*

Camouflage begint aan verwondingen.
Om schaduw en lichaam te verwisselen, draai ik een ronde

voor ik schreeuw. Ik schreeuw maar één keer hard en blind,
daarna breek ik de schreeuw in stukken en maak hem

nog een keer, voor mijn plezier of voor het groeien veeleer.
Drie kleine raven vliegen over, zenden een puls uit.

In een kloof wacht een vrouw geduldig op een teken, weet,
wanneer het stil is gebeurt het meeste.

(Leen Pil)

 

10

Het beste wat je kunt doen,
volgens het hoofdkwartier van betoverende geluiden,
als de schaduw van twijfel verergert,
is een brok ijs gooien in een diep gat.
Jezelf niet dwingen
om in dezelfde gewonde wind te lopen.

Daarom dat ik liever alleen ben
als ’s ochtends de zon opkomt om iedereen te ontmoeten.
Enkel het bezoek van bloemen bij de vroeggeboorte van twijgen zou ik kunnen verdragen.

Ik zou het kunnen.
Ik zou er wellicht van genieten.
Op een strand op Antarctica, in een jurk met onbekende bloemen, met de hete kroon boven ons hoofd,
de fierste vrouw van de wereld!

(Truus Roeygens)

 

11

De muzikant wandelde
Op verontrustende snaren van ijs
Naar het midden van het meer

Waar zijn zeer gevoelige microfoon registreerde
Hoe een insect onder een nagel verpletterd werd.

Later in zijn studio, waar de opname versterkt werd
Hoorde hij pal in het midden
Een gillend meisje.

(Denis Vercruysse)

 

12

Ach, gillende meisjes, als we hun keeltjes dichtknijpen
gillen ze met wijd opengesperde ogen geluidloos verder
als in een stomme film.

Net voor ze bezwijken lossen we onze greep en leggen
hen geduldig uit dat het breken van stilte een doodzonde is.
Begrijpen jullie dat, meisjes?

Nog voor ze kunnen antwoorden schrik ik wakker en voel
haar raspende tong over mijn hand. Honger? vraag ik.

(Philip Hoorne)

 

13

wij waren nooit apart, en toch
werden wij niet gehoord
in velden die lang nog niet in kavels lagen
wanneer wij bikkelden tussen tarwe voor een meisjeshand
moeder met een koeienbel uit een vakantieland
ons herinnerde aan honger
wij verzamelden meer kansen op een tweede speelhelft
met stil slikken van rabarber en uitgelikte borden
en knepen dan een kaartspel aan de spaken
klepperden rond de huizenblok

(Bart Verstraete)

 

14

Nu zijn we een reden geworden om ergens
niet meer weg te gaan, aanhankelijke grond
waar we het dier in elkaar opgraven
onze lege mond bloot lachen

In zinnen als wurgslangen nestelen we ons
zorgvuldig in opgebouwde gezelligheid
verteren we woorden zonder huid
slapen in hoop, het donker geeft niets prijs

Tussen sleutels en de zwijgende telefoon
een bittere stapel nieuws, een laatste
streep onder een oude rekening
aan mensen zit een aflopende kant

(Steven Van Der Heyden)

 

15

Sleutel in het slot, de kieren in de voordeur ademen,
na een wandeling in de stad op een verlaten zaterdag
het ondergehuurde appartement baadt rustig en grijs
in een twijfelachtig ochtendlicht, tussen zuchtende muren

door het raam in de verte de twee schuine, wazige torens
bevlekt door schreeuwende reclame van corrupte staatsbanken
ze trekken er zich niets van aan, buigen naar elkaar toe
in de eeuwigheid, een open, zuivere handkus tussen geliefden

ik plof in de sofa en kijk naar het zwarte plasmascherm
hoe het glas de lijnen van mijn gezicht en jas weerspiegelt
roerloos bespied ik, in gedachten verzonken, mijn silhouet
dat plots, abrupt, in een onherkenbare schim verdwijnt.

(Stijn De Man)

 

16

ik ben niet gemaakt van twee stervelingen
niet in langdurig samenkomen
noch door verstandsverbijstering
ik werd niet door mensenhanden gevormd
niet door dwingende ogen gedreven
door een vreemdeling de weg gewezen
ik hanteer geen hamer en beitel
wacht niet geduldig op elke hoek
ben niet gezalfd om zintuigen te bekoren
nooit werd mij gevraagd een kinderhand
los te laten grootouders te vertellen
dat niets of niemand er toe doet
nimmer ben ik gezegend om hier te blijven
evenmin ben ik een reiziger een pelgrim
tussen hemel en aarde proef ik geen verschil

(Jan Van Gompel)

 

17

laat haar hand nooit los. in de winkel
brandden ogen op mijn rug, ik was jonger.
zij was anders. Ik, mocht niet falen. zou zij
ooit tussen de lijnen kunnen kleuren?

de liniaal op mijn kneukels. met gestrekte
vingers en tussen de lijnen zou ik groot worden
in jouw schaduw. nu ik de bruine vlekken tel,
neem ik nog steeds jouw kinderhand

(Luc C. Martens)

 

18

zij is met haar vrienden in de telefoon
in haar hand op vakantie
we lunchen op de brink tegenover de kerk

het is dertig graden en twee uur
de klokken luiden meer dan twee
dan zien we de rouwstoet

(Rinske Kegel)

 

19

Ook op hondsdagen vol handgemeen blijft de zon hangen, koudbloedig
de hagedis in het putje van de namiddag, de vlucht van het koolwitje
speels en onvoorspelbaar; ook op hondsdagen beieren klokken
een bronzen gloed over paardenvacht, rouwkoets en kasseien – rust
tussen mijn vingers een rozenkrans aan holle woorden, een eindje
van een sigaret – verder niets dan blauwe rook die kringelt
als zwarte pluimen zich, voet voor voet, het plein opzingen, langzaam
een zekere leegte vullend, omzoomd door populieren waarin kauwen
zich ophouden in de nagalm van hun kreet; stonden we hier maar
puin te ruimen, samen als één man achter jouw steen
schonken we elkaar nog maar ademruimte, het vooruitzicht op een bos
bloemen, bloemen water.

(Frederik De Cock)

 

20

wanneer de Zon zo sterk is dat Sirius tot schaduw wordt
draal je bij elke droge tong, voel je plotsklaps de jeugd
bloeden in je aderen, tast de verzengende adem
zelfs witte muren aan alsof het schilderijen zijn
van onbekende meesters uit een heel ver verleden

wanneer je beide armen niet hoger kunnen reiken
dan die momenten, de schreeuw als moderne still
verloren gaat in de kakofonie van verhitte steden, dan
ontstijgt de chaos van klinker, friet en glassplinter het denken
nestelt het zout zich verder in de voegen
van urbane stenen en smeek je om een paar centimeter
die in heimwee aarden

(Bert Struyvé)

 

21

                                      ‘…zonlicht is acht minuten onderweg
                                      tegen dat het de aarde bereikt…’

met gestrekte vingers en twee handen zo gevouwen
stilt hij zonlicht tot een vogel op de muur,
een blauwdruk van schijnbare vrijheid,
een schaduw van zijn vleugellamme handen.

het herinnert hem aan zoveel zomers terug,
toen hij als kind op zijn eigen schaduw trappen wou
die hem telkens één stap voor was,
hij maakte geen schijn van kans.

een wolk schuift voor de zon en ontneemt
haar licht tot de vogel uit de muur ontsnapt.
wat rest is een ei in zijn hand.

(Christophe Ywaska)

 

22

en dan te bedenken
dat wij alleen maar het raster
wilden slopen, dat netwerk van gewoontes
dat zich door ons lichaam sloeg
maar wij hebben de mist uitgespit

het hout en ons laten bedwelmen
door mos, het vlechtwerk van seizoenen
uit elkaar gehaald, het geruisloze versleept
naar een eiland zonder vuurtorens
en de rede uit het kind gestampt

(Tania Verhelst)

 

23

Ik sta in het midden van de kamer
als een nieuwe leerling op het schoolplein.
Er is zo weinig dat mij bij elkaar houdt.

Mijn grieven zijn als vogelzaad.
Kort ligt het er en even later is alles verdwenen.
Ik stop de waarheid weg als een sluimerend virus.

En dan bedenk ik:
In de buik van dit huis praten geen muren
maar kreukt het linnen, wacht de vaat op water
houdt de wereld plompverloren stand.

(Astrid Arns)

 

24

Opgekruld tel je de kruimels op het aanrecht.

“De waarheid is onbelangrijk,” zeg je.
Er is alleen maar taal, onbehagen, een lichaam
dat uiteen valt, een kalend huis.

Je neemt mijn hand, duwt mijn vingers
in je onderbuik, hard, onder je broeksband.
“Dat doet pijn,” zeg je.

Ik streel je en veeg de kruimels op de grond.
“Voor de muizen,” zeg ik.

(Zoë Croegaert)

 

25

Zullen we dan maar? vraag je,
een etmaal en een schranspartij
van liefde later.

Je vraagt het met ogen die iemand
in heeft staan alsof ie ergens onderweg
en bij nacht het hoofd verloren heeft.

We ontsluiten wat ons gevangen houdt,
openen de voordeur van ons huis.
De wind fluit ons om de oren.

Ik geef je een hand. Jij mij een teken.
Het vertrek is nakend.

De afdruk van de weg
die we moeten gaan staat nu al
in onze harten voorgeschreven.

(Paul Rigolle)

 

26

We zijn ermee klaar.
We verpakken onze as in zilverpapier en gaan af.
We hebben de lusten en de lasten verbrand,
het is de moeite waard geweest
en een feest is nu niet meer nodig.

We krijgen kop noch staart
aan de gebeurtenissen,
liever staan wij veilig op uitkijk in onze nissen
en gapen wij de lijken aan
die zich opstapelen tot een menigte.

In onze beelden verstenen herinneringen
en luiden klokken in stilte.
Daden zijn afgeklopt, dromen verstard,
we zijn onherroepelijk verhard.

Ooit zullen wij tot vlees en bloed terugkeren
en wenen en elkaar aanraken als een mirakel.

(Frederik Lucien De Laere)